De snoekbaarsfanaat - Hengelpassie

Hengelliefde
Hengelsportverhalen van vroeger en nu
Hengelsportverhalen van vroeger en nu
Ga naar de inhoud

DE SNOEKBAARSFANAAT


Eddy Schepmans



De visser trok de kap van zijn winter-jack wat dieper over zijn koude oren en trakteerde zichzelf daarna op een kopje warme koffie. Het water lag er verlaten bij. Een zuidwester, kracht vijf, liet de golven uiteenspatten tegen de romp van zijn geankerde visboot. Een vlucht ganzen in V-formaat vliegend, trok even zijn aandacht. Wat verder cirkelden enkele hongerige meeuwen boven het wateroppervlak.

Reeds jaren viste de man op snoekbaars. Het was een deel van zijn leven en denken geworden. Hij viste zoals men hem dat ooit had geleerd. Van kunstaas had hij geen kaas gegeten. Het interesseerde hem ook niet. Vissen met een aasvisje, een voorntje of een grondel, was voor hem het ware sportvissen. "Van een stuk plastic wordt een snoekbaars niet groot en zwaar, van een visje wel" zegde hij steeds. Moest ooit het hengelen met de aasvis verboden worden, dan zou hij onherroepelijk stoppen met het bevissen van de roofvis. . definitief en voor altijd.

Zijn visboot was sober ingericht. Van al die moderne snufjes moest hij niet weten. Zijn buitenboordmotor liet hij liever thuis indien het niet echt hoefde en een dieptemeter of GPS had hij zich nooit aangeschaft. Hij wist echter als geen ander een goede stek zonder problemen terug te vinden. Kruispeiling was door de jarenlange ervaring een tweede natuur geworden. Zijn aasvisjes waren steeds in een optimale conditie en daar maakte hij de nodige tijd voor vrij. Zijn zuurstofpompje was van de betere kwaliteit evenals de gebruikte batterijen..

Hij lag reeds meer dan twee uur op deze stek. Het was er ruim zes meter diep, langzaam aflopend tot een meter of negen. De bodem zelf was bezaaid met driehoeksmossels waartussen het lood van zijn sleephengel lekker bleef "hangen". Hij had vertrouwen in deze plaats. Plots was hij één en al concentratie. Hij had duidelijk een tik gevoeld. Een nauwelijks waarneembare buiging van de gevoelige top van zijn hengel werd als het ware doorgeseind tot in het handvat en zijn pols. Snel gaf hij een weinig Iijn en wachtte enkele ogenblikken, waarna hij uiterst voorzichtig zijn snoer terug op spanning bracht. Geen twijfel mogelijk…. dit was een aanbeet. Vastberaden zette hij de haak.

Een prachtig buigende stok liet er geen onzekerheid over bestaan: "een hanger" en blijkbaar geen kleintje. De kracht van de hengel, gecombineerd met zijn parabolische kromming vingen de stompende vluchtpogingen van de gehaakte rover als geen ander op en even later gleed een prachtige snoekbaars in het Iandingsnet.

Nauwelijks was de haak opnieuw voorzien van een kleine voorn, of de oude visser zag vanuit zijn ooghoeken hoe de pen van zijn tweede hengel plots iets hoger kwam te staan. Zijn "sleepwapen" even latend voor wat het was, greep hij naar zijn dobberhengel en zag op hetzelfde ogenblik de pen onder water verdwijnen. Deze snoekbaars had blijkbaar zin in een tochtje. Meter na meter draad werd van de spoel getrokken. De visser sloot de molenbeugel en liet het hengelsnoer strak lopen. Een lichte buiging van het topeinde was voldoende om de 2,40 meter lange hengel in actie te laten komen. Even maar werden enkele meters lijn door de juist afgestelde slip getrokken. Meer dan zeventig centimeter snoekbaars verwisselde een paar minuten later het natte voor het droge.

De visboot deinde na op de zijdelingse golven van een eenzame, onder Duitse vlag varende sportboot. Met een tevreden gevoel nipte de oude visser aan zijn warme koffie. Hij had zopas zijn vierde snoekbaars geland en de visdag was nog lang.

Bijna teder keek hij naar zijn hengels. Zijn sleephengel was 2,10 meter lang. Op de kleine molen was fluorescerende visdraad gespoeld. Op ongeveer een vijftigtal centimeter van de haak, werd een loodje van zeven gram aan een zijlijntje door een kleine stopper gestuit. De haak zelf was van het type benthook, maatje nummer zes. Zijn wat langere tweede werphengel was opgetuigd met een zelfgemaakte snoekbaarsdobber die wel acht gram lood kon dragen. Hij had hem praktisch zinkend uitgelood. Het lood zelf was gegroepeerd op een dertigtal centimeter van de haak met uitzondering van een paar loodjes die een tweetal centimeter lager waren geschoven en er voor zorgden dat de dobber, indien juist afgesteld, iets hoger boven water kwam te staan wanneer deze loodjes juist de bodem raakten.

Hij besteedde heel wat aandacht aan zijn hengelmateriaal, doch zou hij zich nooit zomaar de duurste hengel aanschaffen. Een goede hengel moest wel degelijk voldoen aan de normen die hij aan een goede snoekbaarshengel stelde en vaak dacht hij met weemoed terug aan die oude maar toch zo degelijke glasvezelrapier die men verdomme van hem had gestolen! Moest hij ooit die kerel in zijn handen krijgen...

Voor de zoveelste keer die dag liet hij de sleephengel zijn vertrouwde werk doen. Het werplood bereikte het wateroppervlak op de plaats die hij voor ogen had gehad en geduldig wachtte hij totdat het de bodem had bereikt. Uiterst geconcentreerd trok hij de hengel vanuit de pols even naar links en draaide de vrijgekomen Iijn op de spoel. Steeds opnieuw werd dezelfde scène gespeeld, totdat hij wist dat de aasvis zich onder de boot bevond. Opnieuw werd de lijn uitgeworpen. . .eindeloze keren. Een plotse ruk op de hengeltop maakte voor een tijdje een einde aan dit spel van geven en nemen. Een nieuw gevecht met zijn oude vriend de snoekbaars, zou in het voordeel uitvallen van één van beiden.

Copyright - all rights reserved - made by hengelpassie
Terug naar de inhoud